onderfamilie

Knoopmieren

myrmicinae

De knoopmieren vormen een onderfamilie van de mieren.  Kenmerkend voor deze groep is dat ze tijdens de verpopping geen cocon aanmaken en er soorten zijn die een goed werkende angel hebben.  Ze maken hun nest onder de grond, in rottend hout, onder stenen of in bomen. 
De mieren hebben een aparte lichaamsvorm waarbij lijkt dat het borststuk uit twee knoopvormige delen bestaat.  Het geeft hen meer bewegingsvrijheid van de buik zodat ze makkelijker in de verdediging kunnen gaan.  Net als alle mieren hebben ze een zuur dat ze kunnen afscheiden of spuiten.  De geuren dienen ook om goed met elkaar te kunnen communiceren.  Er zijn soorten die hun gif gebruiken om een spoor achter te laten zodat ze hun weg makkelijk terug vinden.  

Bij de knoopmieren is het mogelijk dat de larven overwinteren in het nest, soms wel tot twee jaar.  Dit is meestal niet mogelijk bij de andere mieren, omdat de larven voor de winter uitkomen en hierdoor zullen doodvriezen.  De knoopmieren voeden hun larven, die kort voor de winterslaap uitkomen, met een stof die de groei van de larven sterk kan vertragen en vertragen.  In het voorjaar worden deze larven dan normaal gevoerd. 

Veel geslachten van de knoopmieren komen voor in de tropische streken, maar ook in Europa.  Bekende soorten zijn de bladsnijdermier en de faraomier. 
Over de hele wereld bestaan tot 7000 soorten knoopmieren.  

vele soorten

blauwbaarddikkop

glimmende dikkop

schildpadmier

kleine steekmier

kokersteekmier

kokergaststeekmier

veensteekmier

indodikkop

gewone dikkop

rode maaimier

gewone steekmier

zandsteekmier

zeggensteekmier

kalme steekmier

gele dikkop

dwergvuurmier

kutters gaststeekmier

bossteekmier

ruige gaststeekmier

heidesteekmier

lepelsteekmier