familie

Mezen
paridae - tits - chickadees - titmice
De mezen vormen een familie kleine zangvogels. Er bestaan vele soorten mezen, maar bij ons komen 2 mezen vaker voor : de koolmees en de pimpelmees. De koolmees heeft een zwarte kruin, witte wangvlekken, een gele borst met een zwarte band. De pimpelmees heeft een gele buik. De mezen leven vooral in de buurt van bossen, maar ze zijn ook heel vaak te zien in tuinen met veel groen. Ze zitten het meest in de struiken, tussen het hout en eigenlijk overal waar bomen te vinden zijn. Ze zijn niet schuw en eten soms zaadjes uit de hand. De boeren vinden het leuk dat de meesjes vaak in fruitbomen zitten, omdat ze veel rupsen oppeuzelen die in de bomen zitten.

In de broedtijd eten mezen vooral insecten en larven. Zij maken hun nest in een boomholte en ook vaak in nestkastjes. Het liefst kastjes met een klein vlieggat. Daar voelen ze zich veilig in en kan hun vijand niet gemakkelijk binnen. In de lente is het vooral het mannetje dat luid kan zingen. Wanneer een koppeltje mezen elkaar heeft gevonden, blijven zij tot 2 nestjes bij elkaar en helpen ze beiden met het voeren van de jongen. In een nest liggen 7 tot zelfs 15 eieren. Koolmezen kunnen iets beter tegen strengere winters dan de pimpelmees. Ze worden ongeveer 10 jaar.


Wanneer een koppeltje heeft afgesproken waar ze een nest gaan maken, dan krassen ze met hun snavel een klein tekentje rond de opening. Dan beginnen ze met de bouw van het nest. Met mos, haren, veren, bladeren, takjes en ander zachte dingen bouwen ze hun nest. Wanneer het nest klaar is, zal het vrouwtje beginnen met het leggen van één ei per dag. Tot alle eitjes gelegd zijn, zal ze nog niet met broeden beginnen. Als de jongen uitkomen, dan brengen de ouders de mest en de eierschalen ver weg van het nest. Zo zullen vijanden niet doorhebben dat er hier ergens een nest is. Na de periode van 16 tot 23 dagen in het nest kunnen de jonge vogels het nest verlaten. De jongen voelen goed wanneer het juiste moment daar is.

Als de winter te streng is, dan kan de koolmees toch kiezen om door te vliegen naar warmere landen. Maar meestal hebben ze genoeg zaadjes en vetten verzameld om de winter door te komen. Door vetbolletjes te hangen, help je hen natuurlijk heel goed. Zij lusten heel graag vetbollen, pindanootjes en voederplankjes met zaden. Maar in de lente moet je daar wel mee stoppen, want dan moeten de mezen zelf eten leren zoeken. Om niet door een roofdier te worden gepakt, neemt de koolmees het liefst kleine hapjes en kijkt steeds snel en goed om zich heen.
foto’s : slawomir staszcuk, steffen hannert, luc viatour, andré karwath
63 soorten
acaciamees
bleekbuikmees
gambels mees
grijskuifmees
harlekijnmees
Iraanse rouwmees
kastanjebuikmees
kuifmees
Owstons mees
prachtmees
roodbuikmees
rwenzorimees
sultanmees
witbrauwmees
witvoorhoofdmees
Kaapse mees
Ruppells mees
Indiase kroonmees
sparrenmees
Amerikaanse matkop
bonte mees
Carps mees
geelwangmees
grijze koolmees
holengaai
iriomotemees
kastanjerugmees
matkop
palawanmees
Ridgways mees
roodkeelmees
sichuanmatkop
taiwanmees
witbuikmees
grijsflankmees
zwarte mees
kroonmees
tweekleurige mees