soort
De bobakmarmot
bobak marmot - marmota bobak - steppe marmot
De bobakmarmot, steppemarmot of bobak is een knaagdier uit de familie van de eekhoorns en komt voor op de steppen van Kazachstan, Rusland en het oosten van Oekraïne. Hij heeft een lichte zandkleurige vacht, die donkerder is op de rug en aan de staartpunt. Er zijn enkele volledig zwarte soorten. De oren zijn vrij klein. Hij wordt 49 tot 58 centimeter lang en 3 tot 7,5 kilogram zwaar. De staart is 11 tot 15 centimeter lang.

De marmot leeft in de velden, steppen en halfwoestijnen. Het is een dagdier. Overdag gaat de bobak op zoek naar voedsel als grassen, kruiden, plantenwortels, bladeren, vruchten, zaden, ongewervelden als insecten en vogeleieren. Hij leeft in kolonies in diepe, ondergrondse holen. Een hol wordt bewoond door een paartje marmotten, die gezamenlijk het hol graven. De ingang naar het hol is verhoogd tot een hoogte van 0,5 tot 1 meter, waardoor het hol niet overstroomt tijdens een regenbui. De aarde uit het hol wordt om de ingang aangestampt tot over een omtrek van 20 tot 25 meter. In dit gebied wordt alle plantengroei verwijderd.


De winterslaap vindt plaats in de burcht en kan zes tot zeven maanden duren. Voordat die begint, kweekt het dier een vetlaag, die ongeveer dertig procent van het lichaamsgewicht kan beslaan. Het hele gezin slaapt hierbij in één kamer. De lichaamstemperatuur daalt herhaaldelijk tot 4 tot 8 °C. Nadat de temperatuur een kritieke waarde heeft bereikt laten ze hun lichaamstemperatuur opnieuw stijgen. Vanaf het moment dat de lichaamstemperatuur weer normaal is vallen de marmotten weer in slaap. De ademhaling van het dier gaat dan ook achteruit, van zestien keer per minuut tot twee tot drie keer per minuut. Het verlagen van de lichaamstemperatuur zorgt ervoor dat ze energie besparen. Begin april ontwaakt de bobakmarmot, waarna hij het hol schoonmaakt en overtollige aarde verwijderd wordt.
In de lente is de paartijd. De paring vindt meestal vlak na het ontwaken uit de winterslaap plaats. Soms vindt de paring al in het hol plaats. Het vrouwtje blijft dan in het hol tot de jongen geboren zijn. Een vrouwtje kan twee tot drie worpen per jaar krijgen. De bobak krijgt twee tot vijf, maximaal twaalf jongen per worp, die worden geboren in een ondergrondse kamer. De helft van de jongen haalt de winter niet.

