soort

de bosmuis

apodemus sylvaticus - wood mouse - common field mouse - long-tailed field mouse

De bosmuis is een klein knaagdiertje uit de familie van de muisachtigen. Hun rug is donkerbruin met geelbruine zijkanten en een lichtgrijze buik. Over de nek loopt een gele band en op de borst hebben ze een gele vlek. De oren, de ogen en de achterpoten zijn grote dan de huismuis. Ze worden 10 tot 11 centimeter groot met een staart die bijna even lang is. Mannetjes zijn altijd groter dan vrouwtjes.

Ze leven van granen, noten, vruchten, bessen, eikels, zaden, knoppen, paddenstoelen en mossen. Verder houden ze ook van spinnen, duizendpoten, slakken en regenwormen. Meestal komen ze in de nacht voor. Hun hol is vaak zelf gegraven met één ingang en enkele kamers. Het nest is bedekt met bladeren, mos en gras. Tijdens één nacht leggen ze soms grote afstanden af. Ze kunnen ook flinke sprongen maken.

Paren gebeurt van maart tot oktober waarbij het vrouwtje soms tot 4 worpen krijgt per jaar.  De moeder zorgt goed voor de jongen en keert vaak terug naar het nest om haar jongen te laten zogen.  De diertjes worden18 tot 20 maanden oud, maar hebben vele vijanden.  Hierdoor worden ze vaak niet zo oud.  Dassen, hermelijnen, katten, marters, uilen, vossen en wezels lusten wel een bosmuisje.  

De diertjes komen voor over heel Europa behalve in het hoge noorden. Je vindt ze ook in het noorden van Afrika. Ze houden van bossen, tuinen, graanvelden, struikgebieden en duinen. Maar je vindt ze ook in gebouwen. In de bergen gaan ze niet hoger dan de boomgrens.

foto’s : hans hillewaert, rasbak, pethan, apodemus