soort

Het Javaans schubdier

sunda pangolin - manis javanica - malayan or javan pangolin

Het Javaans schubdier komt voor in Zuidoost-Azië, waaronder Thailand, Indonesië, Vietnam, Laos, Cambodja, Maleisië en Singapore.  Ze komen voor in de bossen en leven het meest van hun tijd al etend of in de bomen om te slapen.  Het dier heeft een lengte van 40 tot 65 centimeter.  De staart wordt ongeveer 35 tot 55 centimeter lang en ze kunnen tot 10 kilo wegen.  De huid is dik en wordt bedekt met schubben.  Op de huid groeien daarnaast kleine haren.  De klauwen zijn sterk en hebben grote nagels om in de grond te graven op zoek naar mierennesten of om een termietenheuvel open te breken.  Op de neus zitten geen schubben en de mond heeft geen tanden.  De tong is lang en kleverig, zodat de mieren en termieten eraan blijven plakken. 

De vijanden van het Javaans schubdier zijn vooral de tijger en de nevelpanter.  Het krijgt meestal één of twee jongen per jaar.  De eerste drie maanden van hun leven worden de jongen nog verzorgd door de ouders.  Meestal leven de volwassen dieren alleen en zijn ze vooral ´s nachts op zoek naar voedsel.  Wanneer het schubdier wordt aangevallen rolt het zich op tot een bal, om de zachte buik te beschermen. 

Door stroperij wordt het Javaans schubdier bedreigd.  De schubben worden gebruikt voor medicijnen in Chinese geneeskunde.  Het dier wordt zelfs als etenswaar verkocht op de plaatselijke markten.  Het dier wordt ook genoemd als een van de dragers van het coronavirus.  Mogelijk staat het aan de oorsprong, samen met vleermuizen, van de coronapandemie die in 2019 uitbrak.