soort

De kokmeeuw

black-headed gull - chroicocephalus ridibundus

De kokmeeuw is een soort meeuw die soms ook de kapmeeuw wordt genoemd.  Zijn snavel en poten zijn diep donkerrood en kop en keel zijn donker chocoladebruin.  Ze hebben een smalle, witte oogring.  De mantel en vleugels zijn zilvergrijs.  Ook vallen hun lange, spitse vleugels op.  De vogels worden ongeveer 37 tot 42 centimeter groot, wat ongeveer zo groot is als een stadsduif.  Hun spanwijdte bedraagt ongeveer 90 centimeter.  De kokmeeuw kan een leeftijd van 10 tot 15 jaar bereiken.   

Ze roepen vaak luid en krijsend alsof ze boos zijn.  Vliegend maken ze dikwijls ook geluiden: een dreigend ‘miauw’ of een aanvallende roep met schelle kreten.  Het zijn alleseters, die zich vooral voeden met larven, slakken en wormen, die ze vinden op weilanden of akkers.  Ze eten ook visjes, vogeleieren, muizen en kleine vogeltjes.  Ook scharrelen ze tussen drijvend afval en komen af op mensen die de eenden komen voederen.  Veel kokmeeuwen kunnen ook vliegend insecten vangen.  Bij het opkomende water, kijken ze uit naar sporen van bodemdieren.  In iets dieper water zwemmen ze ook graag rond.  Een andere zoektechniek is het sliktrappelen.  Daarbij trappelen ze regelmatig met beide poten en ze verplaatsen zich langzaam naar achteren.  Het gevolg hiervan is dat er grote aantallen kleine schelpdieren worden blootgewoeld. 

Kokmeeuwen stelen vaak wormen van steltlopers.  Als die een dikke worm niet snel genoeg opeet, weet een kokmeeuw makkelijk zijn slag te slaan.  Ze maken het sterns ook weleens moeilijk als die visjes aanvoeren voor hun jongen.  Na het eten vormen de meeuwen braakballen om resten te verwijderen.

Ze broeden in grote kolonies in de duinen en aan plassen en moerassen.  Wat hierbij opvalt, is dat alle vogels van de kolonie hun eieren binnen dezelfde tijd van drie tot vier dagen leggen.  Dat maakt hen minder kwetsbaar tegenover roofdieren.  De nesten worden soms gebouwd op drijvende rommel en soms tussen het riet of tussen het gras in het hooiland.  Ze bestaan uit een hoop planten op de grond.  Als het water stijgt, weet de kokmeeuw zijn nest te beveiligen door het met riet een beetje hoger te maken.

De eieren zijn groenachtig, blauwachtig of zandkleurig met grote donkerbruine vlekken en strepen.  Soms zijn ze ongevlekt en vaak erg verschillend.  Ze worden door beide ouders bebroed en komen na 23 tot 26 dagen uit. 

De vogels trekken in de winter naar het Middellandse Zeegebied, de Rode Zee, Perzische Golf, kusten van India, China en Japan.  Onze ‘wintermeeuwen’ trekken in de lente verder naar het noorden, waar ze broeden.  Onze ‘zomermeeuwen’ komen daarna terug vanuit het zuiden.  

Het aantal kokmeeuwen wordt geschat op 5 tot 9 miljoen dieren, waarbij de soort als ‘niet bedreigd’ staat aangeduid.

foto’s : m haesen, dilliff, danikauf, creative commons