soort
De naakte molrat
naked mole rat - desert mole rat - sand puppy - heterocephalus glaber
De naakte molrat is een knaagdier uit de familie van de molratten. Ze komen voor in Kenia, Ethiopië en Somalië. De dieren hebben een rond lijf dat ongeveer 14 tot 18 centimeter lang is. Ze zijn helemaal naakt en nergens staat er haar op de huid. Ze hebben enkel de snorharen. Doordat ze geen haar hebben, kunnen er ook geen beestjes in hun haren zitten en parasieten. Hun huid is gerimpeld en ligt in plooien. De rug is donkerder dan de buik. Door de donkere rug vallen ze in de nacht minder op als ze uit hun hol gaan.


Omdat ze geen vacht hebben, kunnen ze makkelijk door de smalle gangen van hun hol kruipen. Ze kunnen zelfs naar achter stappen in de gangen van hun hol. Aan de voorpoten en de achterpoten zitten ook haren om mee te voelen. Naast de snorharen zitten er ook haren rond de mond en de ogen. Die ogen zijn erg klein maar tegelijk dik met een duidelijk vel erover heen. Door een piepklein spleetje kunnen ze toch nog zien. Maar onder de grond heb je dat natuurlijk niet echt nodig. Ook de oren zijn klein en ze hebben geen oorschelpen.
Hun knaagtanden vallen wel op. Zij worden gebruikt om te graven en groeien hun leven lang verder. De molrat kan zelfs zijn tanden los van elkaar bewegen. Hun kaakspieren zijn erg sterk en raken makkelijk door de harde grond in de woestijn. In de mond zit ook nog huid die er voor zorgt dat er bij het graven geen zand naar binnen raakt.

De temperatuur van hun lichaam is sterk verschillend. Soms vrij koud en dan weer vrij warm. Ze kunnen zich opwarmen of afkoelen onder de grond door naar de juiste kamer te gaan. De gangen die het hoogst liggen zijn ook het warmst. Hoe dieper ze onder de grond gaan, hoe koeler het wordt. Maar door dicht tegen elkaar te liggen, raken ze ook goed opgewarmd. Er is ook een toilet onder de grond zodat ze niet naar boven moeten en gevaar lopen voor hun vijanden.
De dieren leven van knollen en wortels die ze onder de grond vinden. Ze eten nooit de hele knol of wortel op en laten de plant verder aangroeien, zodat ze er later terug van kunnen eten. In de groep is er één koningin zoals bij de mieren en de bijen. Er zijn ook werksters die de gangen graven en soldaten die de wacht houden tegen de grootste vijand : de slang. Meestal zijn het de grootste mannetjes die dat doen. Ze bijten de slang en proberen ze te verjagen. Als er toch een mannetje wordt gebeten en sterft dan wordt dit mannetje gebruikt om de gang te blokkeren.

De koningin legt ongeveer 12 worpen per jaar van 1 tot 12 jongen per keer. Die worden lang gedragen door haar, wel tot 80 dagen lang. Zij valt goed op door haar dikke tepels. Zij zorgt er ook voor dat zij alleen kan paren en de andere vrouwtjes dat niet kunnen. Als zij sterft, proberen alle vrouwtjes nu om koningin te worden en maken daarbij soms ruzie. Soms vechten ze zo hard dat er terug maar 2 dieren overblijven die dan op hun beurt kunnen beginnen met een nieuwe groep.
foto’s : ltshears, roman klement schiltz, trisha m shears

