soort

De noordelijke zeebeer

callorhinus ursinus - northern fur seal

De noordelijke zeebeer is een oorrob uit de onderfamilie van de zeeberen.  Tussen mannetjes en vrouwtjes bestaat een groot verschil in afmetingen, gewicht en kleur.  De vrouwtjes zijn lichtbruin en worden ongeveer 140 centimeter met een gewicht van 50 kilogram.  De mannetjes zijn zwart tot roodbruin en worden meer dan twee meter met een gewicht van 200 kilogram.

De dieren komen voor in het noorden van de Grote Oceaan.  In de zomer verzamelen ze zich op allerlei eilanden waar ze broedkolonies vormen om zich voort te planten.  De grootste kolonie is op de Pribilofeilanden, in de Beringzee.  Een andere grote kolonie is die op de Kommandeureilanden.  Daarnaast zijn er kleinere kolonies.  Als ze zonder jongen zitten, begeven ze zich meer naar het zuiden. 

Noordelijke zeeberen zoeken vooral ’s nachts naar voedsel.  Ze duiken regelmatig tot een diepte van 70 tot 200 meter naar vis en inktvis.  Tijdens de paartijd ontstaan er heftige gevechten tussen de stieren. Jongere en zwakkere stieren worden verdreven naar de rand van de kolonie.  De sterkste mannetjes bezetten de beste plaatsen in het midden van de kolonie dicht bij de zee. 

Ongeveer twee weken na de stieren komen ook de koeien aan.  Al vanop zee zoeken ze het juiste mannetje.  De stieren kunnen de vrouwtjes niet verhinderen naar een ander mannetje te gaan.  Een groep of harem bestaat uit veertig koeien met uitschieters naar honderd.  De koeien brengen binnen twee dagen na aankomst een jong ter wereld.  Binnen enkele dagen daarna paren ze met de stier in hun harem voor hun volgend jong.  De jongen zijn bij de geboorte 65 cm lang, hebben een zwarte vacht en kunnen direct zwemmen.  Meestal gaan ze de eerste vier maanden van hun leven nog niet in het water.  Ze worden drie tot vier maanden door hun moeder gezoogd.  Als een vrouwtje terugkeert vanop zee herkent ze haar jong aan de geur.  De stier bemoeit zich niet met de jongen.

De vacht van de zeebeer was vroeger voor de pelsjagers eenvoudig om duizenden robben af te slachten.  In die tijd leefden er naar schatting vier tot vijf miljoen zeeberen, maar hun aantal is teruggelopen naar 150.000.  Nu is de vermoedelijke oorzaak de overbevissing van de Beringzee waardoor de zeebeer moeilijker voedsel vindt. 

foto’s : us fish & wildlife service, rolf ream, boylan, wldland