soort

De ooievaar

white stork - ciconia ciconia

De ooievaar is een vogel uit de familie van de ooievaars.  Hij wordt ook wel uiver, eiber of stork genoemd.  Het is een grote, witte vogel met zwarte vleugelranden.  Ze hebben lange, rode poten en een lange, puntige, rode snavel.  Mannetjes en vrouwtjes zien er hetzelfde uit, waarbij het mannetje iets groter is.  Een ooievaar wordt ongeveer tussen de 100 en de 120 centimeter lang. 

De borstveren zijn lang en vormen een kraag die wordt gebruikt bij het paren en versieren van het vrouwtje.  De rode bek en rode poten wordt veroorzaakt door een voedingsstof in het voedsel.  Waarschijnlijk is de kleur afkomstig van het eten van rivierkreeftjes.  Na het uitkomen zijn de jonge ooievaars bedekt met korte, witachtige donsveren. 

Als vleeseter eet de ooievaar veel dierlijke prooien, zoals insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels.  Hij pakt het meeste voedsel van de grond en uit ondiep water.  Ze vormen bij het broeden geen paar voor het leven.  Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt.  Het vrouwtje legt elk jaar één keer vier eieren.  Beide ouders broeden om beurten de eieren en voeden ook beide de jongen.  Ze zullen het nest nooit alleen laten en lossen elkaar af om voedsel te zoeken.  Als een van de ouders niet op het nest terugkeert, zal de andere op het nest blijven wachten en uiteindelijk met de jongen verhongeren. 

De vogels broeden in Europa, Noordwest-Afrika, Zuidwest-Azië en zuidelijk Afrika.  De vogeltrek van de ooievaar vindt plaats over lange afstanden.  Hij overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara of in India. 

Als twee ooievaars op hun nest zitten, verklaren ze elkaar hun “liefde” met geklepper van hun snavels.  Ooievaars zijn niet trouw aan elkaar, maar wel aan het nest.  Dat verklaart waarom sommige ooievaarspaartjes lang bij elkaar blijven.