soort

De ruigpootuil

boreal owl - aegolius funereus - tengmalm's owl

De ruigpootuil is een kleine uil uit het geslacht van de zaaguilen.  De soort komt vooral voor in dichte naaldbossen in het noorden van Noord-Amerika, Azië, Europa en in grote bergketens zoals de Alpen en de Rocky Mountains.  Met een grootte van 24 tot 26 centimeter is de ruigpootuil een van de kleinere uilensoorten.  De spanwijdte bedraagt 53 tot 60 centimeter.  Mannetjes wegen gemiddeld ongeveer 100 gram, terwijl vrouwtjes tot 160 gram zwaar kunnen zijn.  Verder lijken ze erg veel op elkaar.  

Opvallend zijn de heldere, zwartgezoomde veren op de kop.  Zoals bij alle uilen zijn de ogen vrij groot met een gele iris.  Deze vallen extra op door de lichte krans van zijn kopveren die de uil schijnbaar een ‘plat’ gezicht geven.  Het lijkt alsof ze een sluier op hebben.  De uil heeft een korte hals en een korte haaksnavel, maar geen vederoren.  De dekveren zijn op de rug grijsbruin met cirkelvormige witte vlekken.  De borstveren zijn helder van kleur en hebben grijsbruine vlekken of strepen.  De korte poten zijn wit bevederd tot de klauwen.  Hieraan heeft het dier zijn Nederlandse naam te danken. 

De zang van de ruigpootuil is heel herkenbaar en bestaat uit vier tot tien zeer snel opeenvolgende klanken die steeds hoger en luider klinken.  De roep is op een afstand van ongeveer 500 meter te horen.  Naast deze roep kan de ruigpootuil nog een reeks andere geluiden produceren, waarvan sommige sterk aan het geluid van een bosuil doen denken. 

Het leefgebied bestaat uit grote, oude bosgebieden zoals sparren-, dennen- en beukenbossen.  In het broedseizoen zoeken de dieren een gebied uit waar voldoende boomholtes zijn.  De meeste ruigpootuilen leven op een hoogte tussen de 750 en 2000 meter.  Hij komt in een groot gedeelte van het noordelijk halfrond algemeen voor.  Het leefgebied loopt van Alaska, de Rocky Mountains en de Grote Meren in Noord-Amerika, via de Alpen en Scandinavië in Europa tot de bossen van Rusland en Oost-Azië.

In onze streken is hun aantal de afgelopen jaren steeds groter geworden, onder meer door goede leefomstandigheden en een goede bescherming.  Er worden geregeld aangepaste nestkasten opgehangen.  De ruigpootuil is geen trekvogel, maar toch kan het voorkomen dat grote groepen in de herfst naar het zuiden trekken. 

De ruigpootuil leeft uitsluitend van dierlijk voedsel dat bestaat uit veel verschillende soorten kleine zoogdieren en in mindere mate uit kleine vogels en ongewervelde dieren.  Woelmuizen, aardmuizen en bosmuizen vormen het belangrijkste deel van zijn voedsel.  Hij jaagt vooral ’s nachts, maar in noordelijk gelegen gebieden en op sombere dagen kan het voorkomen dat het dier overdag jagend wordt gezien.  Hij is een meester in het wachten en kijkt geduldig tot hij een geschikte prooi ziet.  Dan vliegt hij er snel op af met gebruik van zijn perfect gehoor. 

Af en toe onderbreekt de uil zijn rust om zijn veren op te poetsen of een zonnebad te nemen.  Hij baadt vaak in water of in sneeuw.  De ruigpootuil gaat vijanden liefst zoveel mogelijk uit de weg.  Als het toch tot een gevecht dreigt te komen, neemt hij zijn camouflagehouding aan.  Hij drukt zijn veren strak tegen het lichaam en gaat rechtop staan. 

In het broedseizoen nestelen ruigpootuilen in holten in bomen, vooral de holen van de zwarte specht zijn geliefd.  De twee tot zeven eieren worden door het vrouwtje in ongeveer 27 dagen uitgebroed.  Na ongeveer 33 dagen verlaten de jongen het nesthol en worden dan nog minstens drie weken door de moeder verzorgd.  Gewoonlijk nestelen ruigpootuilen slechts één keer per jaar.